De geschiedenis

In de voorbije jaren is regelmatig getracht de oorsprong van de Akita te achterhalen. Inmiddels is veel bekend, maar enkele vragen blijven tot op heden onbeantwoord. Het mysterieuze, adellijke uiterlijk van de Akita past dan ook perfect bij zijn even mysterieuze voorgeschiedenis.

Afgaand op de vondst van een hondenskelet in het noorden van Japan, gaat men ervan uit dat de geschiedenis van de Akita zo’n vierduizend jaar teruggaat. Daarmee is het één van de oudste nog bestaande rassen op aarde. Biochemisch onderzoek door de heer Hamanaka van de afdeling Biochemie van de universiteit van Tokio toont echter aan dat de Akita een van oorsprong westerse hond is. Hij trof in Akitas het glycopid N-acetyl noiramine aan. Deze stof is kenmerkend voor westerse honden. Bij van oorsprong oosterse honden werd het glycopid N-glylolyl noiramine gevonden. Hoewel onderzoeken naar inheemse huisdieren erop wijzen dat de voorouders van de Akita al in de ijstijd via (vermoedelijk) Siberië in Japan terechtgekomen moeten zijn, blijft de exacte herkomst en leeftijd van het ras daarmee een raadsel. Het einde van de ijstijd, en daarmee dus het smelten van het ijs, heeft de huidige Japanse eilanden gecreëerd. Hierdoor raakten de honden min of meer geïsoleerd van andere delen van de wereld (bijvoorbeeld Siberië en Alaska), wat in positieve zin bijdroeg aan de ontwikkeling van de soort. Archeologische vondsten bevestigen in ieder geval dat circa vijftienduizend jaar geleden al mensen leefden in Japan. De westerse voorvader van het ras is dus mogelijk nog ouder.

De Akita mag dan van oorsprong niet-Japans zijn, maar het ras bleek in het land van de rijzende zon goed te aarden. Bovendien kreeg het beestje daar zijn naam. ‘Akita’ is een regio in het noorden van Japan. ‘Inu’ betekent hond. Vrij vertaald staat ‘Akita Inu’ dus voor Hond van Akita.

De regionale rassen van Japan werden vooral gebruikt voor de jacht. Zo is van de Akita bekend dat zij werd ingezet tijdens de jacht op beren en groot wild. De hond diende daarbij niet voor het halen van prooien, maar voor de daadwerkelijke jacht. Hieruit kan onder meer worden opgemaakt hoe krachtig en dodelijk deze honden kunnen zijn. De jacht vond - voor zover bekend - vooral plaats in tweetallen. Aangezien zowel twee reuen als twee teven van dit ras doorgaans niet goed samengaan, kon alleen met koppels bestaande uit reu en teef worden gewerkt. Daarnaast werden Akita’s ingezet voor de bewaking van dorpen. Het is vooralsnog niet bekend wanneer Akita’s huisdieren werden.
Wat wel vaststaat is dat de hond voor Japanners al lange tijd van betekenis moet zijn geweest. Zo wordt in oude geschriften, waaronder in de Kojiki, een kroniek uit middeleeuws Japan (712 na Christus), geschreven over een witte hond met rechtopstaande oren en een gekrulde staart. Een gelijksoortige vermelding werd gevonden in het Kussenboek van Sei Shonagon, geschreven rond 1016 na Christus. In de Taiheiki, eveneens een kroniek uit middeleeuws Japan (1338), is een verhaal opgenomen over de ‘meester en zijn leeuwenhond’. Andere voorbeelden uit latere tijden zijn de Hojo Kudaiki, een boek over de geschiedenis van de negen generaties van Hojo (Kamakura-periode, 1182-1332) waarin melding wordt gemaakt van de vechthonden van Takatoki Hojo, en Tsunayoshi, de vijfde Tukogawa shogun tijdens de Edo-periode (1615-1867), die ook wel de hondenshogun werd genoemd vanwege zijn liefde voor dieren. Naast vermeldingen in oude geschriften en literatuur zijn er tal van afbeeldingen gevonden op rollen, voorwerpen en in tempels.

Omstreeks het jaar 1700 ontstond bij shogun Tsunayoshi belangstelling voor deze viervoeters. Akita’s werden daardoor de vaste maatjes van de Samoerai. Dit leidde zelfs tot een wet die het verwonden of doden van een hond verbood. De voorzichtige conclusie dat de Akita de gemoederen in Japan al eeuwen bezighoudt, mag dan ook best worden getrokken.

Een van de kasteelheren van Odate, een stad in de prefectuur Akita, was verknocht aan hondengevechten en zag de Akita als de perfecte vechthond. Hondengevechten wonnen tijdens de Meij-periode (1868-1912) aan populariteit, waardoor de vraag naar deze grote, sterke honden eind negentiende eeuw aanzienlijk toenam. Een gevolg hiervan was dat Akita’s werden gekruist met onder meer de Tosa Inu teneinde een nog betere vechthond voort te brengen. De burgemeester van Odate was fel tegenstander van het kruisen van deze rassen en maakte zich sterk voor het behoud van de zuivere Akita. Dit leidde er in 1900 toe dat de toenmalige keizer van Japan, Taisho, twee Akita’s cadeau kreeg. Daarnaast werden in 1914 twee Akita’s tentoongesteld tijdens de Taisho tentoonstelling. Ongeveer een jaar later begon het draagvlak voor behoud van het ras te groeien, wat in 1919 onder leiding van Shozaburo Watase leidde tot de wetgeving voor het behoud van het ras.

In 1920 trok Watase naar de Odate-regio om het ras nader te onderzoeken, maar doordat er zoveel verschillende typen bestonden, kon hij geen enkele hond benoemen tot natuurmonument. Dit gegeven leidde in de daaropvolgende jaren tot discussies en resulteerde onder meer in de studie ‘De oorsprong van Japanse honden’ (1922). In ‘De geschiedenis van het behoud van Japanse honden’ (1926) kwam het onderwerp opnieuw aan de orde. Mede dankzij toenemende zorgen bij het grote publiek, dat de Japanse inheemse hondenrassen verloren zouden gaan, kwam het een jaar later (1927) tot de oprichting van de Akitainu Hozonkai (Akitaho). Deze organisatie stelde zich ten doel de Akita als zuiver ras te behouden.

In het voorjaar van 1931 toog ten tweede male een groep onderzoekers naar de Odate-regio om het ras onder de loep te nemen. Ditmaal onder leiding van dr. Tokio Kaburagi. Hij stelde vast dat het behoud van de Akita van groot belang was, waardoor het ras in juli 1931 werd benoemd tot natuurmonument. Een historisch moment, want dit maakte de Akita voor ’t eerst officieel tot een Japans ras. Het ras dat voorheen naar de stad Odate vernoemd werd, heette nu Akita Inu. Naar schatting viel slechts een tiental honden deze eer te beurt. Deze viervoeters dienden als basis voor de fok van vele nakomelingen.

De erkenning van de Akita Inu als Japans ras en natuurmonument was nog maar amper een feit of de tweede wereldoorlog gooide roet in het eten. In eerste instantie bleek het voor de bevolking geen gemakkelijke opgave om grote honden, met een daarbij behorende eetlust, te voeden. Wie in deze tijd van schaarste werd betrapt op het voeden van zijn hond werd vaak als verrader gezien. Uiteindelijk zouden de Akita's zelf worden gebruikt om honger te stillen. Bovendien kwam de warme vacht van pas als voering voor winterkleding.
Akita's zijn opvallende honden en hun eetlust maakt ze tijdens een periode van voedseltekort moeilijk te verbergen. Dit leidde ertoe dat Akita's langzaam, maar zeker werden uitgeroeid. Amper een dozijn Akita's wist de oorlog te overleven. Onder meer Ichinoseki, de man die eerder al betrokken was bij de totstandkoming van het officiële ras, hield tijdens de oorlogsjaren Akita's verborgen. Fokken met deze honden was echter geen eenvoudige opgave. De voedselschaarste duurde ook na de oorlog voort, waardoor de honden veelal op dieet moesten. Dit zorgde onder meer voor voortplantingsproblemen en nakomelingen die bepaalde gebreken vertoonden. De populariteit van de Akita groeide echter enorm en dat maakte dat zelfs honden met duidelijke ‘fouten’ voor veel geld werden verkocht. Het bleek echter een gevaar voor de instandhouding van het zuivere ras. Dit baarde enkele liefhebbers van het ras grote zorgen. Zij hebben zich ingezet voor het behoud van de Akita en daarmee voor de honden waar de magnifieke beesten die wij nu kennen van afstammen.
Er zijn meerdere factoren van invloed geweest op de geschiedenis en ontwikkeling van de Akita. Zo mogen de invloed van schrijfster Helen Adams Keller en Hachiko op het beeld en de populariteit van het ras niet worden vergeten noch onderschat.

Bron: akitablog.nl